Wat vooraf ging aan de bouw van deze kerk Wat vooraf ging aan de bouw van deze kerk

Het huisje van Simon Zijp en Grietje Bommer bij de Wipbrug werd het volgende onderkomen. Daar werd het gezelschap aangevuld met schipper Jacob Deutekom uit Purmerend, wiens schip op dat moment in een vaart bij Dirkshorn stevig vastgevroren in het ijs lag. Deutekom wist wel wat de aarzelende Dirkshorners het best konden doen, namelijk breken met de hervormde kerk. Die weg sloeg men toen in.
Met veel moeite kon men ‘de tuin van Beemsterboer’ aan de huidige Raadhuisstraat kopen, met de bedoeling daar een kerk te bouwen, waarvoor fl. 3.000 nodig zou zijn. Fl. 600 konden ze zelf opbrengen; de rest moest her en der geleend worden. Toch kwam de kerk er, en werd op 1 januari 1867 in gebruik genomen met een dienst onder leiding van ds. J.W. de Lang van Broek op Langedijk. ‘De preekstoel  hebben ze gehaald op een driewielkar uit Alkmaar, waar ze hem voor oud gekocht hadden. Hij had voorheen dienst gedaan in een Roomsche kerk’. Het kerkje werd op naam van de Afgescheiden Gemeente te Krabbendam geschreven, omdat ook verscheidene leden tot díe gemeente behoorden. ‘Zoo was dan het kerkgebouw klaar tot aller blijdschap’.

Op dat moment stonden de banken nog in de grondverf, omdat ze door geldgebrek pas later goed in de verf gezet konden worden. Ds. De Lang preekte er geregeld en catechiseerde er ook. Anderhalve maand later, op 19 maart 1867, werd onder diens leiding de eerste gereformeerde kerkenraad van Dirkshorn in het ambt bevestigd (Pieter Nomes als ouderling en Klaas de Ruiter en Theunis Doekes als diakenen), waarmee de kerk geïnstitueerd was.

Tegenstand.

Er was in het dorp weerstand tegen de ‘dompers’ van Dirkshorn. Naar later bleek was het Jan Bregman die meerdere keren de ramen van de kerk ingooide. Op last van de burgemeester betaalde hij de hem opgelegde boete aan de kerk. Ondertussen ging Pieter Nomes jarenlang voor in de kerkdiensten, want pas in 1875 trad de eerste predikant aan, en dan ook nog in combinatie met de kerk van Krabbendam. Dat was kandidaat M.H.K. Mol (1850-1929); het waren zijn eerste gemeenten. Hij diende beide kerken tot 1886. Ook zijn opvolger, ds. J.W. Wegchelaer (1855-1911) werd in samenwerking met Krabbendam aangesteld; hij diende Dirkshorn van 1887 tot 1893, toen hij naar Alkmaar vertrok. Ook hij kwam als kandidaat naar Dirkshorn.

Opmerkelijk was dat het avondmaal in de combinatietijd om de beurt gezamenlijk in Dirkshorn, Krabbendam en Schagerbrug werd gevierd (de kerk van Schagerbrug werd in 1870 geïnstitueerd maar al in 1911 opgeheven; Schagerbrug droeg als vergoeding voor de kosten van de predikant fl. 75 per jaar bij).

De reis naar de kerk viel niet altijd mee, zeker als men op weg naar Schagerbrug of Krabbendam moest. Een deel van de gemeente ging met de boerenwagen, de mannen liepen naar Sint Maartensbrug, waar ze met ‘het trekschuitje van Krabbendam’ verder reisden. ‘Aan boord, op de Grote Sloot op weg naar Schagerbrug, worden uit volle borst psalmen gezongen’.

De predikanten tot 1908.

De predikanten mochten aanvankelijk dan wel door de drie kerken gezamenlijk beroepen en aangesteld worden, de pastorie kwam in Dirkshorn. Aanvankelijk woonde ds. Mol in ‘het huisje van Dirk de Geus’ naast de kerk, maar later werd besloten voor fl. 6.000 een nieuwe pastorie te bouwen, die een paar honderd meter van de kerk af stond. De catechisaties werden sinds 1877 in een houten schuur (de consistorie) gehouden. Ook werd bij de kerk een paardenstal aan de kerkelijke onroerende goederen toegevoegd, want paard en wagen werd een steeds normaler vervoermiddel voor kerkgangers.

Na het vertrek van ds. Mol, waarbij duidelijk werd ‘hoezeer men den scheidenden leeraar lief had’, kwam kandidaat Wegchelaer voor fl. 750 per jaar naar Dirkshorn en Krabbendam. Op 30 oktober 1887 deed hij intrede. Wegchelaer spande zich bijzonder in voor het evangelisatiewerk in de omgeving van Dirkshorn. In die tijd begonnen ook plannen te rijpen om te komen tot de stichting van een christelijke school, maar die werd pas in 1902 gerealiseerd.
Kandidaat N.IJ. van Goor (1866-1941) uit Harlingen werd op 14 oktober 1894 in het ambt bevestigd door zijn vader; zijn vertrek naar Hazerswoude, in 1897, luidde de komst in van kandidaat H.H. Schoemakers (zonder ‘n’) (1873-1943) uit Kampen, die op 26 juni 1898 door diens broer in het ambt bevestigd werd. Schoemakers vertrok in 1901 naar Workum, maar bevestigde op 26 juni van het jaar daarop zijn zwager, kandidaat G.H.A. van der Vegte (1874-1936) in het ambt, die van 1902 tot 1906 in Dirkshorn predikant was (detail: ds. Van Goor en ds. Van der Vegte zouden elkaar in Groningen ontmoeten, waar ze tussen 1915 en 1925 beiden tegelijk gereformeerd predikant waren).

Daarna was Dirkshorn drie jaar vacant. Gelukkig kon meester Nieuwenhuizen voor fl. 1 per week de kinderen catechisatieles geven (ook mocht hij tijdelijk in de pastorie wonen, als ‘ie tenminste het onkruid in de tuin wiedde).

Amsterdam of Kampen?

In 1908 besloten de kerkenraden van Krabbendam en Dirkshorn in het vervolg maar niet meer gezamenlijk een predikant te beroepen. Oorzaak van het uiteengaan was dat Krabbendam liever een predikant wilde die gestudeerd had aan Vrije Universiteit te Amsterdam en Dirkshorn de voorkeur gaf aan iemand van de Theologische School in Kampen. Hoe dan ook, Dirkshorn beriep kandidaat K. van der Beek (1883-1918) uit het Groningse Middelstum, die in Kampen had gestudeerd en van 1909 tot 1912 in Dirkshorn stond en toen naar IJlst vertrok. Daar overleed hij zes jaar later.

Zijn opvolger stond zeven jaar in Dirkshorn. Na een vacante periode van ongeveer een jaar trad in 1913 namelijk kandidaat J.G. Feenstra (1888-1966) aan. Hij stond er lang genoeg om enkele belangrijke momenten in het kerkelijk leven van Dirkshorn mee te maken. Allereerst het vijftigjarig bestaan in 1917, dat natuurlijk in een kerkdienst en in een groot aantal gepeperde toespraken werd herdacht, compleet met een uitvoerig historisch overzicht.

terug