|
Voor onze kinderen
Voor onze kinderen
4-8 jaar, bij Genesis 28:10-22 De droom van Jakob Esau is heel erg boos op zijn broer Jakob. ‘Jakob heeft mijn zegen gestolen,’ roept hij. ‘Die gemene bedrieger! Wacht maar, straks vermoord ik hem!’ Zijn moeder hoort het. ‘Je kunt hier niet blijven,’ zegt ze tegen Jakob. ‘Dat is te gevaarlijk. Maar ik heb een idee. Mijn broer, jouw oom Laban, woont in Charan. Dat is hier ver vandaan. Ga daar maar naartoe. En blijf bij oom Laban totdat je broer Esau niet meer boos op je is.’ Jakob pakt zijn spullen, hij neemt afscheid van zijn vader en moeder, en hij gaat op weg. Helemaal alleen. Het is een heel eind lopen naar Charan. Wel zestig dagen. Elke dag loopt Jakob zo ver hij kan. En elke avond slaapt hij op een andere plek. Als het donker wordt, zoekt hij een rustig plekje om te slapen. Hij heeft geen kussen bij zich, en daarom legt hij zijn hoofd op een steen. Op een nacht, als Jakob slaapt, krijgt hij een droom. In die droom ziet hij een trap. Een trap die vanaf de aarde helemaal naar de hemel gaat. Er lopen allemaal engelen op de trap. Sommige engelen komen uit de hemel naar beneden. Andere engelen zijn op weg naar boven. En dan ineens ziet Jakob iemand naast zich staan. Het is God. Hij is naar de aarde gekomen. ‘Jakob,’ zegt God. ‘Ik ben de Heer, de God van Abraham en Isaak. Ik heb altijd gezorgd voor je vader en voor je opa. En Ik zal ook voor jou zorgen. De plek waar jij nu ligt te slapen, Jakob, die is later voor jou. Heel dit land is later voor jou! Je bent nu helemaal alleen. Je hebt nog geen vrouw en geen kinderen. Maar ik zal ervoor zorgen dat je veel kinderen krijgt. En kleinkinderen. En achterkleinkinderen. Je krijgt zo veel familie dat je niet meer kunt tellen hoeveel mensen het zijn. En jouw familie zal in dit land wonen. Ze zullen er steeds meer land bij krijgen. Je hoeft niet bang te zijn, Jakob, want Ik ben bij je op deze reis. Ik bescherm je, waar je ook bent. En Ik breng jou op een dag terug naar dit land. Ik zal altijd bij je zijn.’ ‘Wooow,’ denkt Jakob als hij wakker wordt. ‘Ik wist helemaal niet dat God hier was! Maar God is hier echt. Ik heb Hem gezien, ik heb met Hem gepraat. Dit is een bijzondere plek. Dit is de plek waar God woont. En die trap, dat was een deur naar de hemel. De steen die ik als kussen heb gebruikt, zet ik hier rechtop neer. Zodat je ziet wat voor bijzondere plek dit is. Als ik terugkom, ga ik hier een echt huis voor God bouwen. En als God zo goed voor mij gaat zorgen, dan is Hij mijn God.’
8-12 jaar, Genesis 28:10-22 Jakob in Betel Jakob krijgt een droom Jakob was uit Berseba vertrokken. Hij was op weg naar de stad Charan. Toen de zon onder was, zocht hij een plaats om te slapen. Hij pakte een grote steen. Die legde hij onder zijn hoofd, en zo ging hij slapen. Toen kreeg hij een droom. Hij zag een trap van de aarde naar de hemel. Hij zag engelen van God die de trap op liepen en weer naar beneden gingen. En hij zag dat de Heer bij hem kwam staan. De Heer zei: ‘Ik ben de Heer, de God van Abraham en van Isaak. Het land waarop je nu ligt te slapen, zal ik aan jou en je nakomelingen geven. Je zult veel nakomelingen krijgen. Zo veel dat niemand ze kan tellen. Je nakomelingen zullen steeds meer land krijgen, in het oosten, het westen, het noorden en het zuiden. En als de volken op aarde elkaar geluk toewensen, zullen ze zeggen: ‘Ik hoop dat je net zo gelukkig wordt als Abraham en zijn nakomelingen.’ Ik zal bij je zijn. Ik zal je beschermen, overal waar je heen gaat. En ik zal je weer terugbrengen naar dit land. Ik blijf bij je totdat ik gedaan heb wat ik je beloofd heb.’ Jakob begrijpt dat de Heer er was Toen Jakob wakker werd, dacht hij: Ik wist niet dat de Heer hier aanwezig was. Maar het is wel zo! Dat maakte veel indruk op hem. Hij dacht: Wat een bijzondere plek is dit. Dit is het huis van God en de poort naar de hemel. Vroeg in de ochtend stond Jakob op. Hij pakte de steen waarop hij geslapen had. Die zette hij rechtop, en hij goot er wat olie overheen. Zo werd het een heilige steen. De plaats waar hij was, heette Luz. Maar Jakob noemde die plaats Betel. Toen deed Jakob een belofte. Hij zei: ‘De Heer zal mijn God zijn als hij me helpt en me onderweg beschermt. Hij zal mijn God zijn als hij voor eten en kleren zorgt, en als ik weer veilig bij mijn familie terugkom. Op de plek waar ik deze steen rechtop gezet heb, zal later een huis voor God zijn. En ik zal een tiende deel van alles wat God me geeft, aan hem teruggeven.’ | ||
| terug | ||


30-08-2026
om
10 uur