Voor onze kinderen Voor onze kinderen

Voor de kinderen van 4-8 jaar, Jozef droomt

‘Vader, weet u wat Ruben heeft gedaan?’ Jozef loopt naar zijn vader Jakob en vertelt wat hij over Ruben heeft gehoord.
Zijn vader zucht. ‘Wanneer gaat die jongen nou eens luisteren?’ zegt hij boos.

Jozef gaat bij zijn vader voor de tent zitten. ‘Juda en Simeon hebben ook iets gedaan wat u niet fijn vindt,’ vertelt Jozef verder.
Zijn vader kijkt verdrietig, en hij slaat zijn arm om Jozef heen. ‘Waarom zijn ze altijd zo ongehoorzaam?’ vraagt hij.
Jozef haalt zijn schouders op. Hij weet het ook niet.

Jozef trekt zijn kleurige jas aan en loopt ermee rond. Zijn vader heeft de jas speciaal voor hem laten maken. ‘Dag Levi,’ zegt hij als hij zijn broer tegenkomt.
Levi zegt niets terug. Ook de andere broers praten niet met Jozef. Het lijkt wel of ze boos op hem zijn. Jozef hoorde een keer één van zijn broers zeggen: ‘Vader houdt meer van Jozef, omdat hij het kind van Rachel is, zijn lievelingsvrouw.’

Zou het waar zijn? Jozef strijkt met zijn hand over de stof. Misschien wel. Zijn broers hebben nooit zo’n mooie jas gekregen.

Die nacht heeft Jozef een droom zoals hij nooit eerder had. Als hij wakker wordt, blijft hij aan de droom denken.
‘Ik heb zo’n bijzondere droom gehad,’ vertelt hij aan zijn broers.

‘Zeker weer over die korenbossen?’ zegt Levi. ‘Die zo nodig voor jouw korenbos moesten buigen.’ Jozef schudt zijn hoofd: ‘Deze droom ging anders.’ ‘Wat droomde je dan?’ wil Benjamin weten.

Jozef begint te vertellen: ‘Ik droomde dat de zon, de maan en elf sterren een diepe buiging voor mij maakten.’

Simeon balt zijn vuisten. ‘Denk je soms dat jij koning over ons bent? Dat jij over ons kunt regeren?’ roept hij boos. ‘We zullen nooit voor jou buigen!’

Jozef haalt zijn schouders op. Hij kan er toch niets aan doen dat hij van die bijzondere dromen heeft. Hij loopt naar zijn vader Jakob. Die zal het wel voor hem opnemen. Zijn vader beschermt hem altijd. ‘Vader, ik had zo’n bijzondere droom!’ Opnieuw vertelt Jozef zijn droom. Jozef kijkt naar zijn vader. Ziet hij het nou goed? Is hij ook kwaad?
‘Wat is dat voor een droom!’ roept Jakob boos. ‘Je denkt toch niet dat je moeder, je broers en ik voor jou zullen buigen? Je denkt toch niet dat jij de baas over ons bent?’ Verdrietig loopt Jozef weg. Hij begrijpt niet waarom iedereen boos op hem is. En van die droom begrijpt hij ook niets. Helemaal niets!

Voor de kinderen van 8-12 jaar, Genesis 37:1-11

Jozef en zijn broers
Jakob houdt het meest van Jozef
Nu volgt het verhaal over Jakob en zijn familie. Jakob was gaan wonen in het land Kanaän, net als zijn vader. Zijn zoon Jozef was zeventien jaar. Hij hielp vaak zijn broers als ze op de schapen en de geiten pasten. Jozef was een zoon van Rachel, en zijn broers waren zonen van Jakobs vrouwen Bilha en Zilpa. Als er slechte dingen over de broers gezegd werden, vertelde Jozef dat steeds door aan hun vader.
Jozef was geboren toen Jakob al oud was. Daarom hield Jakob meer van hem dan van zijn andere zonen. Hij maakte voor hem een prachtige jas met allerlei mooie kleuren. De broers merkten wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom hadden ze een hekel aan Jozef. Ze praatten nooit met hem.

Jozef heeft bijzondere dromen

Op een keer had Jozef gedroomd. Hij vertelde de droom aan zijn broers. Toen kregen ze een nog grotere hekel aan hem. Want Jozef zei: ‘Moet je horen wat ik gedroomd heb. We waren op het land aan het werk.
We bonden het gemaaide koren bij elkaar in bossen. Opeens ging mijn bos koren rechtop staan. Toen kwamen jullie bossen koren om mij heen staan en ze maakten een diepe buiging voor mijn bos koren.’
De broers zeiden tegen Jozef: ‘Denk jij soms dat je koning wordt? Dat je over ons kunt regeren?’ Toen hij over die droom vertelde, kregen ze een nog veel grotere hekel aan hem.
Later kreeg Jozef weer een droom. Hij vertelde ook die droom aan zijn broers: ‘Ik droomde dat de zon, de maan en elf sterren een diepe buiging voor mij maakten.’ Jozef vertelde die droom ook aan zijn vader. Maar die zei boos: ‘Wat is dat voor een droom! Je denkt toch niet dat je moeder, je broers en ik voor jou zullen buigen?’
Jozefs broers waren jaloers op hem. Zijn vader dacht nog vaak aan die dromen.

terug